Het meisje dat ik heb gezien. Het enige wat ik erover wil zeggen. Wanneer is het dat en wanneer wat? 

Dat of wat zijn hier betrekkelijk voornaamwoorden. Ze slaan terug op iets wat eerder gezegd is, ofwel het antecedent.

 

Dat gebruiken we:

Als je verwijst naar een bepaald onzijdig zelfstandig naamwoord (een het-woord):

  • Het huis dat…
  • Het boek dat…
  • Het kind dat….

 

Wat gebruiken we:

1. Als het antecedent een hele zin is:

  • Het heeft de hele dag geregend, wat ons er niet van weerhield om naar buiten te gaan.

 

2. Als het antecedent niet genoemd wordt:

  • Wat die man daar eet, wil ik ook.

 

3. Na een voornaamwoord: dat, datgene:

  • Datgene wat je net zei, pik ik niet.
  • Dat wat de buren hebben staan, willen wij ook.

 

 

Soms zijn dat en wat allebei goed:

1. Na een onbepaald woord: iets, niets, alles of het enige:

  • Dat is het enige dat/wat ik er nog aan doe.
  • Ik zoek iets dat/wat niet te duur is.

 

2. Na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord, meestal een overtreffende trap of een telwoord:

  • Die musical is het mooiste wat/dat ik ooit gezien heb.
  • Het eerste wat/dat ik straks bestel, is een kop warme chocolademelk.

 

Bron: Genootschap Onze Taal