Beresterk, bloedheet, hondsmoe, apetrots, knettergek. Wat heeft onze taal toch mooie, schilderachtige woorden!

Dit zijn bijvoeglijk naamwoorden. Je kunt ze voor een zelfstandig naamwoord zetten: een beresterke kerel, een apetrotse vader, een knettergekke actie.

Ze worden versterkende bijvoeglijk naamwoorden genoemd: de eerste helft van het woord versterkt de tweede helft. Iemand is niet zomaar moe, maar hondsmoe, en niet een beetje trots, maar apetrots. (De oplettende lezer ziet dat beresterk en apetrots, maar ook stekeblind en retegoed níet die vermaledijde tussen-n krijgen. Juist de versterkende betekenis maakt dat deze woorden een uitzondering op de regel vormen.)

Nog interessanter is dat die eerste en tweede helft lang niet altijd op elkaar passen. Wie ‘rete-…’ leest, weet dat het tweede deel alleen maar ‘-goed’ of  ‘-slim’ kan zijn. ‘Retegek’ bestaat niet. ‘Stokblind’ en ‘apemoe’ evenmin.

Leuk hè? Heeft iemand dit soort woorden op school geleerd? Vast niet. Dit leer je gewoon op straat.

Er zijn natuurlijk veel meer van deze woorden. Wie kent ze?