Mijn zoons (tien en acht) maken vaak dezelfde soort taalfouten. ‘Ik loopte naar huis, ik trekte aan het touw, ik zwemde naar de overkant.’ Ze worden dan door mij verbeterd: ‘Ik líep, ik trók en ik zwóm.’

Maar eigenlijk is het heel knap dat mijn kinderen deze fouten maken.

Het betekent dat in hun koppie de regel voor de onvoltooid verleden tijd goed is opgeslagen: neem de stam van het werkwoord en plak je er -te of -de achter. (Je weet wel, met dat kofschip.) Mijn kinderen passen razendsnel de bekende regel toe.

Sterke werkwoorden

Ze vergeten alleen dat er een groep werkwoorden is die een andere regel kent: in de verleden tijd verandert de klank, en het voltooid deelwoord eindigt vaak op -en: Eten – at – gegeten, drinken – dronk – gedronken, graven – groef – gegraven, zien – zag – gezien, weten – wist – geweten. Dat zijn de sterke werkwoorden.

Het zijn er niet zo veel meer en het worden er steeds minder. Dat proces is al eeuwenlang bezig. De regel van de zwakke werkwoorden, met die -te of -de-uitgang is dominant. Naast ‘het schip voer’ is ‘vaarde’ nu ook geaccepteerd. Niemand zegt meer ried, het is nu raadde. En wie weet nog dat de verleden tijd van stoten ooit stiet was?

Met andere woorden: het zal niet lang meer duren voor trekte, loopte en zwemde ook in zwang zijn.

Dus waarom verbeter ik mijn kinderen dan? Wat een getut! Iedereen snapt toch wat ze bedoelen? Laat ze maar voorbereid zijn op de toekomst!

Verzorgd taalgebruik

Niet dus. Want taal is niet alleen een middel om onze boodschap over te brengen, we laten er ook mee zien wie we zijn. Ons taalgebruik en woordkeus geven een indruk van ons. Taal is een soort visitekaartje. En met goed verzorgd taalgebruik komen we verder in het leven. Vind ik. (Daarom voer ik in mijn gezin ook een voortdurende strijd tegen de lelijke woorden.)

Hoe mijn kinderen straks hun woorden kiezen, moeten ze zelf weten. Maar ik wil dat ze nu, op hun tiende en achtste, tenminste gesnópen hebben hoe het zit.