Teksten zijn niet altijd zo onschuldig als ze eruit zien. Schrijvers of sprekers gebruiken soms bepaalde woorden waarmee ze, tussen de regels door, véél meer zeggen dan op het eerste gezicht lijkt.

De zinnen: ‘Heb je dat meisje gezien?’ en ‘Moet je die griet daar zien!’ lijken hetzelfde. Toch klinkt de eerste zin heel wat aardiger dan de tweede. Met ‘die griet daar’ is iets aan de hand. Wat weten we niet, maar de spreker mag haar niet.

 

Framing

Dit noemen we framing. Iemand die framing gebruikt, kiest woorden waaraan bepaalde veronderstellingen, emoties of beelden kleven. Zo betekenen de woorden vluchteling, vreemdeling, asielzoeker, ontheemde en ‘gelukszoeker’ grofweg hetzelfde, maar ze hebben elk een andere gevoelswaarde.

Een ander voorbeeld is de Amerikaanse anti-abortusbeweging die zich pro life noemt. Want het klinkt positiever als je ergens vóór bent. En het laat zien dat de voorstanders van abortus dus anti life zijn.

Nog meer voorbeelden:

  • terroristen – vrijheidsstrijders
  • hypotheekrenteaftrek – villasubsidie
  • herstructurering van woonwijken – sloop
  • ordeproblemen in de klas – handelingsverlegenheid
  • middagdutje –  powernap
  • alternatieve genezers  – kwakzalvers

De frames ‘plakken’ aan de woorden, vaak zonder dat de lezer of luisteraar zich ervan bewust is. Zo beïnvloedt het frame je interpretatie.

 

Gedachten sturen

We merken het dagelijks in de reclame. Op een site over consumentenpsychologie staat letterlijk: “Wanneer u slim gebruikt maakt van framing, kunt u de verkoopkracht van uw producten vergroten zonder dat uw klanten het doorhebben. De feiten over uw product blijven namelijk exact hetzelfde, maar door een beetje te spelen met het woordgebruik en de formulering van een zin beïnvloed je vrij eenvoudig hoe consumenten over het product denken.”

 

Lees goed!

Hoe beschermen we ons tegen de effecten van framing? Door onze hersens te gebruiken. Lees goed, denk na over wat er staat en vraag je af wat de bedoeling van de schrijver kan zijn. (Liefdadigheid is uitgesloten.)

Zo las ik een discussie over de vraag welke zin de verkoop van staatsloten het meest bevordert:

1. “Als je meedoet aan de staatsloterij heb je kans op de hoofdprijs van 13 miljoen.” (Frame: Wauw, ik wil zo’n staatslot, want dan word ik misschien rijk!)

Of:
2. “Als je niet meedoet aan de staatsloterij, mis je de kans op de hoofdprijs van 13 miljoen.” (Frame: Snel zo’n lot kopen, anders raak ik geld kwijt! Inspelen op risico-aversie werkt vaak beter.)

Mijn variant:

3. “Als je meedoet aan de staatsloterij heb je een gemiddelde kans van 1 op 2,6 miljoen om de hoofdprijs te winnen van 13 miljoen.”

 

 

Foto Tobias Scheck