Mijn kinderen zitten volop in de fase van de lelijke woorden. Poep en pies zijn ze voorbij, nu worden tieten, kont en seksen interessant. En ze weten precies wat ze echt niet mogen zeggen.

Andere woorden mag je soms wel zeggen en dan weer niet. Vooral mijn oudste, die erg op regeltjes is, vindt dat reuze interessant.

Flikkeren bijvoorbeeld. Een flikkerende lamp mag, maar die lamp vervolgens wegflikkeren mag je niet zeggen.

Een rotte appel of peer is in orde, maar rotzooi en ‘die stomme rotjongen’ zijn niet netjes.

‘Geloof jij in God?’ is een mooie vraag, maar andere woordcombinaties met god leveren boze volwassenen op.

In de grotemensenwereld bestaat dit verschijnsel ook. Ooit klaagde een politieagent iemand aan wegens belediging. Hij was uitgescholden voor homo. De rechter oordeelde in eerste instantie dat de klacht onterecht was. Het is immers een normaal, gangbaar woord. Maar dat klopt niet. Het was hier wel degelijk beledigend bedoeld. Wie luid, op een bepaalde toon, naar iemand ‘Hómooo!’ roept, beledigt de ander én homoseksuelen in het algemeen.

Zelf herinner ik me een keer dat ik met collega’s m/v zat te kletsen onder werktijd. Mijn toenmalige baas riep: ‘Zo dames, gaan we weer aan het werk?’ Dat voelde heel onprettig.

Zo subtiel werkt taal. Leg dat maar eens uit aan een nieuwkomer.