Achterin, bovenop, vooraan, onderin. Het zijn allemaal combinaties van twee voorzetsels. Schrijf je die nou aan elkaar of los?

In de meeste gevallen schrijf je ze aan elkaar:

  • De kinderen zitten achterin.
  • Leg het boek er maar bovenop.
  • Hij staat altijd vooraan.

 

Maar in een paar gevallen schrijf je ze los:

  1. Als er een zelfstandig naamwoord achter staat.
  2. Als er een persoonlijk voornaamwoord achter staat (mij, jou, hem, haar).

 

Kijk maar:

  • De kinderen zitten achter in de auto.
  • Leg het boek maar boven op de stapel.
  • De hond springt boven op me.
  • Dit woord staat voor aan de zin.

(NB: Je kunt ook zeggen: Het woord staat vooraan in de zin, hij staat vooraan in de rij.)

Hoe onthoud je dit nu?

In de zin De kinderen zitten achterin is achterin zelfstandig. De twee voorzetsels bepalen waar de kinderen zitten. Ze zijn samen voorzetselbijwoord geworden.

In de zin De kinderen zitten achter in de auto zijn achter en in niet zelfstandig, omdat de auto bepaalt waar de kinderen precies zitten. Hier is in een voorzetsel en achter een bijwoord, dat in nader bepaalt.

Erbovenop, ertegenin

Tip: kleine losse woordjes als er en op kun je vaak aan zo’n voorzetselbijwoord vastplakken. Bijvoorbeeld: erbovenop, ertegenin, eronderdoor, ervantussen.

  • De kat zit erbovenop. (Maar: De kat zit boven op hem.)
  • Hij was bijna failliet, maar hij is erbovenop gekomen.
  • Ze zit achterop. (Maar: Ze zit achter op de fiets.)
  • Haar baas wil het zo hebben maar ze gaat ertegenin.