Lees hier alles over correcte spelling van de werkwoorden en je voelt je een stuk zekerder over je schriftelijke communicatie.

Werkwoorden vervoegen: -t’jes en -d’tjes. Veel mensen gruwen ervan. Terwijl het systeem van de werkwoorden redelijk simpel aan te leren is. In twee vorige taalblogs kon je lezen over spelling van werkwoorden in de tegenwoordige tijd en over werkwoorden vervoegen in de verleden tijd.

Nu behandel ik de voltooid deelwoorden. Het is echt niet moeilijk, een kind snapt het al. Houd deze blog en de twee vorige bij de hand en je hoeft nooit meer te twijfelen over je spelling van de werkwoorden!

 

Werkwoorden vervoegd als voltooid deelwoord

Zoals de naam al zegt: een voltooid deelwoord gebruik je als je iets gedaan hebt en er nu mee klaar bent:

  • Ik heb gewerkt, daarna gegeten en geslapen, en nu ben ik uitgerust.
  • Ik heb geklust en schoongemaakt in huis.
  • Ik heb gezegd dat ik het ben vergeten.
  • Heb ik je verteld dat ik mijn horloge ben verloren en dat de verzekering het heeft vergoed?

 

Alle woorden in deze zinnen die met ge- en ver- beginnen (inclusief uitgerust en schoongemaakt) zijn voltooid deelwoorden. Voltooid deelwoorden eindigen meestal op -en, of op -d of -t.

 

’t Kofschip: wanneer -d of -t?

Voltooid deelwoorden die eindigen op -en laten we buiten beschouwing, want die vormen geen probleem.

Voltooid deelwoorden die eindigen op –t of –d volgen dezelfde regels als werkwoorden in de verleden tijd:

Eindigt de stam van het werkwoord op een t, k, f, s, ch, p of x (allemaal stemloze medeklinkers) dan komt er bij het voltooid deelwoord een -t (= ook stemloos). Bij alle andere eindletters komt er een -d. (Uitzondering: werkwoorden met een -z of een -v, zoals verhuizen, niezen, lozen, leven, beloven, grieven. Zij krijgen ook een -d aan het eind.)

Dit is de bekende regel van ’t Kofschip + x.

Het lastige is dat sommige werkwoorden in verschillende vormen kunnen voorkomen:

  • met -d, -t, of -dt,
  • of  met -de versus -dde en -te versus -tte.

 

Voorbeelden:

  • Verklaren – stam: verklaar – zij verklaart – zij verklaarde – zij heeft verklaard.
  • Inenten – stam: ent – de artsen enten de kinderen in – entten de kinderen in – hebben ze ingeënt
  • Verhuizen – stam: verhuiz! – hij verhuist – hij verhuisde – hij is verhuisd.
  • Verleiden – stam: verleid – jij verleidt (verleid jij?) – jij verleidde – jij hebt mij verleid.
  • Beleven – stam: beleev! – hij beleeft – hij beleefde – hij heeft avonturen beleefd.
  • Verblinden – stam verblind – de zon verblindt me – verblindde me – heeft me verblind.
  • Benoemen – stam benoem – hij benoemt haar – hij benoemde haar – heeft haar benoemd als voorzitter.

 

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord

Sommige voltooid deelwoorden krijgen een extra rol. Ze zeggen iets over een woord waar ze bij staan. Ze worden dan bijvoeglijk naamwoord. Kijk maar:

  • het pas gemaakte schilderij,
  • de verhuisde meubels,
  • de beleefde avonturen.
  • een uitgeslapen kerel,
  • vergeten groente.

 

Zó schrijf je bijvoeglijk naamwoorden:

Bijvoeglijk naamwoorden schrijven we altijd zo kort mogelijk: dus maar met één -t of -d. (Uitzondering: tenzij dit uitspraakproblemen zou opleveren: zie de afgezette voorzitter, het ingebedde besturingssysteem.)

 

Nu krijg je dus vier varianten van een werkwoord:

  • Ze verbreden de weg (tegenwoordige tijd).
  • Ze verbreedden de weg (verleden tijd).
  • De weg is verbreed (voltooid deelwoord).
  • De verbrede weg (bijvoeglijk naamwoord).

 

  • In plaats van te asfalteren, bestraten ze de rijbaan. (tegenwoordige tijd)
  • De buurman bestraatte afgelopen weekend zijn tuinpad. (verleden tijd)
  • Dit oude weggetje is bestraat met kinderkopjes (voltooid. deelwoord)
  • Rijden schiet niet op, op deze amper bestrate weggetjes. (bijvoeglijk naamwoord)

 

  • Wat verbeeld jij je wel! (tegenwoordige tijd; jij erachter!)
  • De scène beeldde een gezin uit de jaren vijftig uit. (verleden tijd)
  • Op deze foto staat de koning afgebeeld. (voltooid deelwoord)
  • De uitgebeelde verhalen boeien me niet zo. (bijvoeglijk naamwoord)

 

Probeer nu zelf, zet alle zinnen in de verleden tijd:

  1. De goed (uitrusten) padvinders (herstellen) de (afbranden) schuur.
  2. De pas (verloven) fabrieksdirecteur (lozen) afvalstoffen in een (niet betreden) natuurgebied.
  3. Ik (downloaden) een (uitkleden) versie van de (faxen) en (inscannen) documenten.
  4. De dame met de (breien) jurken aan (verzamelen) de (verspreiden) post.

Oplossingen onderaan.

 

Geslaagd?

Is het gelukt? Gefeliciteerd! En zeg nou zelf, zo moeilijk is het toch niet?! Kwestie van logisch nadenken.

Maak je toch nog af en toe fouten met de werkwoorden? Misschien door haast of slordigheid? Neem vrijblijvend contact op, dan leg ik het nog een keer uit. Of ik check je document.

T 06-22653047.

E info@lindawelther.nl.

 

Foto: Anthony Kelly Cc

 

Oplossingen:

  1. Uitgeruste, herstelden, afgebrande
  2. Verloofde, loosde, onbetreden
  3. Downloadde, uitgeklede, gefaxte, ingescande
  4. gebreide, verzamelde, verspreide

Is het nu geliket, geliked of gelikt?

Lees nu mijn blog over vervoeging van werkwoorden ontleend aan het Engels.