Mijn kinderen zitten volop in de fase van de lelijke woorden. Poep en pies zijn ze voorbij, nu worden tieten, kont en seksen interessant. En ze weten precies wat ze écht niet mogen zeggen (maar soms toch doen): drieletterwoorden en vloeken.

Andere woorden mag je soms wél zeggen en dan weer niet. Vooral mijn oudste, die erg op regeltjes is, vindt dat reuze interessant.

Flikkeren bijvoorbeeld. Een flikkerende lamp mag, maar die lamp vervolgens wegflikkeren mag je niet zeggen. (Flikker als zelfstandig naamwoord is nog niet bij mijn kinderen bekend.)

Een rotte appel of peer is in orde, maar rotzooi en ‘die stomme rotjongen’ zijn niet netjes.

‘Geloof jij in God?’ is een mooie vraag, maar andere woordcombinaties met god leveren boze volwassenen op.

 

Hómooo!

In de grotemensenwereld bestaat dit verschijnsel ook. Ik herinner me een casus waarin een politieagent iemand aanklaagde wegens belediging. Hij was uitgescholden voor homo. De rechter oordeelde in eerste instantie dat de klacht onterecht was. Homo is immers een normaal, gangbaar woord. Maar dat klopt niet. Homo was hier wel degelijk beledigend bedoeld. Wie luid, op een bepaalde toon, naar iemand ‘Hómooo!’ roept, beledigt de ander én homoseksuelen in het algemeen.

Zelf herinner ik me een keer dat ik met collega’s m/v zat te kletsen onder werktijd. Mijn toenmalige baas riep: ‘Zo dames, gaan we weer aan het werk?’ Dat voelde heel onprettig.

Zo subtiel werkt taal. Leg dat maar eens uit aan een nieuwkomer.

 

Ggggrutjes

Ikzelf moet thuis echt op mijn woorden gaan letten. Ik dwing mezelf om chips te roepen in plaats van shit en ggggrutjes-nog-aan-toe in plaats van andere g-woorden.

Toch voelt dat niet lekker. Wetenschappelijk onderzoek heeft trouwens uitgewezen dat het gebruik van ‘krachttermen’ wel degelijk kan opluchten. Het neemt stress weg en het zou zelfs fysieke agressie en maagzweren voorkomen. Maar dat vertel ik thuis nog maar niet.